geselecteerd als gefixeerd bericht

Weblog van Sjoerd Ermshaus
Mijn foto’s:
http://www.flickr.com/photos/sjoerdermshaus/collections/72157602754571223/

Mijn e-mail adressen:
sjoerde@hotmail.com
sjoerdermshaus@yahoo.com

Kernwoorden:
reis, reizen, reisverslag, reisverslagen, reisverhaal, reisverhalen, weblog, web-log, backpack, backpacker, backpacking, Centraal-Amerika, Midden-Amerika, Zuid-Amerika, Latijns-Amerika, Cuba, Mexico, Guatemala, Honduras, Belize, El Salvador, Nicaragua, Costa Rica, Panama, Colombia, Ecuador, Venezuela, Brazilië, Paraguay, Argentinië, Uruguay

Laatste informatie (REIS AFGELOPEN)
Zondag, 16-04-2006, 03:55, Wijchen, Nederland

Wisselkoersen
Oanda

Vliegtuigmaatschappijen
Aerolineas Argentinas
AirMadrid
Iberia
Pluna
Transavia
EasyJet
RyanAir

Reisgidsen
Lonely Planet
Footprint
Rough Guide
Fodor’s
Frommer’s
Moon
Insight Guides
Bradt Travel Guides

Backpack links
Backpacken.com

14 November 2006
By on 22:42
23. España (12-04-2006 t/m 15-04-2006)

Madrid

‘s Middags kwam ik na een voorspoedige reis aan op Barajas, het vliegveld van Madrid. Hier nam ik de metro naar Lago. Eén nachtje kon ik maar in het Richard Schirrmann hostel blijven aangezien het volgeboekt was i.v.m. Semana Santa (Holy Week). Ook de andere hostels in de stad waren volgeboekt voor de komende dagen.

Laat in de middag begon ik rond te lopen door het centrum van Madrid. Meteen valt op dat Madrid veel schoner en minder chaotisch is dan iedere willekeurige stad in Latijns-Amerika. De gebouwen zijn veel kleurrijker en het Plaza Mayor is prachtig.

Overal in de stad liepen Espanyol en Real Zaragoza supporters voor de finale van de Copa del Rey later die avond. Vermoedende dat het stadion uitverkocht zou zijn, nam ik de metro naar Estadio Santiago Bernabeu waar de finale plaats zou hebben. Men wist mij te vertellen dat er inderdaad geen kaarten meer beschikbaar waren. Toch ging ik maar informeren bij een ticketbox… Op het moment dat ik aan de beurt was, werd ik op mijn schouder getikt door een oudere man. Deze vroeg me of ik het kaartje van zijn vrouw – die wegens ziekte niet kon komen – wilde overkopen voor het originele bedrag van 40 euro. Een half uur later zat ik dan op de één na hoogste ring van het gigantische Estadio Santiago Bernabeu. Het stadion heeft prachtige steile tribunes en de zitplaatsen zijn verdeeld over 4 tot 5 ringen. Het is een geweldig voetbalstadion. Ik zat temidden van de Barcelonese Espanyol supporters. Nadat het vrij snel 1-1 stond, liep Espanyol makkelijk uit naar 4-1 en behaalde het eenvoudig de Copa del Rey die ze het laatst gewonnen hadden in 2000.

De volgende dag verkaste ik van het hostel naar een hotel aan een zijstraat van de Gran Vía. Deze en de volgende dag heb ik enkele musea bezocht met schilderijen van bekende schilders als Pablo Picasso, Salvador Dali, Joan Miró, Paul Gaugin, etc.

Zaterdag 15 april nam ik een Transavia vlucht om 10.50am naar Amsterdam, Nederland. Hier kwam ik rond 1.30pm aan, waarna ik de trein en taxi nam om tenslotte mijn reis te beëindigen om 3.30pm in Wijchen. Snik.

16 April 2006
By on 13:44
22. Argentina II (08-03-2006 t/m 11-04-2006)

Buenos Aires I

Aangekomen in Tigre nam ik de bus naar Buenos Aires. Ergens in het centrum niet ver van de Obelisco werd ik gedropt waarna ik op zoek ging naar een hostel. Omdat het “beroemde” Milhouse hostel vol bleek te zitten, ging ik maar naar het minder illustere St. Nicholas hostel vlakbij het Congreso Nacional.

In bijna twee weken Buenos Aires heb ik wel een aardig beeld gekregen van de stad, denk ik. De stad zelf vind ik niet zo bijzonder. De ene wijk is misschien chiquer dan de andere (Recoleta en Palermo tegenover San Telmo en La Boca), maar los van de Europees aandoende sfeer zijn het toch vooral wijken met gebouwen. De begraafplaats van Recoleta daarentegen ziet er heel apart uit met kerkjes en tempeltjes in plaats van gedenkstenen als graven. Verder zijn de pleinen en parken ook niet spectaculair. De enorme brede Avenida 9 de Julio met de Obelisco maakt de stad cosmopolitisch. De reden waarom backpackers Buenos Aires zo geweldig vinden, is dan ook het heerlijke eten en het bruisende uitgaansleven. De manier van leven in de stad is zo aangenaam, dat velen er zouden kunnen leven en werken. Overal zijn er cafetjes om te lunchen met koffie en croissants of medialunas (zoete croissants) en op iedere straathoek zijn er milanesas of andere goedkope steakgerechten te verkrijgen.

Het was alweer een tijdje geleden dat ik mijn laatste film had gezien maar in Buenos Aires heb ik mijn filmachterstand enigszins goed kunnen maken: Juego del Miedo 2 (Saw 2), Firewall, Descarrilados (Derailed), Destino Final 3 (Final Destination 3), Vidas Cruzadas (Crash), Capote, The Matador, Syriana en Buenas Noches, Buena Suerte (Good Night, Good Luck).

Met de vriendelijke hulp van twee Denen heb ik mijn Deens ook weer opgepoetst. Ik kende deze uitdrukkingen al maar ik wist niet hoe ik ze moest schrijven: For helvede! hetgeen iets betekent als Drommels!, Dat is minder prettig! of Wat vervelend nou! en Rød grød med fløde, een Deens gerecht.

Maandagnacht vond een Israeliër het nodig om op mijn kleren en matras te vomiteren. De dag erop liet ik mijn kleren wassen, kocht ik een vliegticket (met studentenkorting…) naar Madrid en een treinkaartje naar Sierra de la Ventana. Dinsdagavond vertrok ik uit het hostel.

Per trein naar Sierra de la Ventana…

Om 7.35pm vertrok de trein vanuit Plaza Constitución in Buenos Aires met eindbestemming Bahía Blanca. Ik had het goedkoopste kaartje gekocht (turista). Omdat ik in Sierra de la Ventana (100km ten noorden van Bahía Blanca) wilde uitstappen, verzocht ik de dienstdoende conducteur om mij te waarschuwen als we daar zouden aankomen aangezien ik dan waarschijnlijk aan het slapen zou zijn. Eén uur later komt dezelfde conducteur terug met de vraag “Sierra de la Ventana?”. Mijn eenvoudige antwoord was “Si!”. Hij verzocht mij mijn spullen mee te nemen en hem te volgen. Enkele wagons later kwamen we in een veel luxere wagon terecht en hier mocht ik plaatsnemen in een zachte stoel met als reden dat het hier más seguro was… Enkele uren na middernacht viel ik eindelijk in slaap. Toen ik wakker werd rond 8am was de trein Sierra de la Ventana natuurlijk al lang gepasseerd…

In Bahía Blanca stapte ik uit en nam ik intrek in Hotel Victoria. Bahía Blanca is een aangename stad met een mooi, groot centraal park zonder toeristische attracties. Na wat informatie ingewonnen te hebben, besloot ik de volgende dag om 6am de bus te nemen naar Sierra de la Ventana.

Sierra de la Ventana

Na twee uur kwam ik aan in dit kleine plaatsje wat dezelfde naam draagt als de bergpartij waarin het ligt. Nadat ik mijn spullen in Residencia Perlita had gebracht, het toerismekantoor had bezocht en had ontbeten, kon ik om 10.15am de bus nemen naar het “basiskamp” van de Cerro de la Ventana.

De Sierra de la Ventana maakt deel uit van Parque Provincial Ernesto Tornquist en ligt in de pampa’s, enorme uitgestrekte (gras)vlaktes in het noorden van Argentinië. Vanaf het “basiskamp” begon ik aan de 5 uur durende tocht (ida y vuelta) naar de Hueco de la Ventana, de belangrijkste reden om dit gebied te bezoeken. De Sierra de la Ventana dankt zijn naam aan dit “venster”, een gat in de rotsen (5 meter wijd, 8 meter hoog en 10 meter diep) op een hoogte van 1.134 meter. Vanwege het perfecte weer waren tot aan de horizon de pampa’s te zien met de Sierra de la Ventana als een vreemd plukje bergen er midden in.

Dit mooie gebied (zie www.sierradelaventana.org.ar) is nog niet erg bekend bij buitenlandse toeristen die meestal vanuit Buenos Aires direct naar Iguazu of naar Patagonië reizen. Toen ik in mijn hostel aan enkele medewerkers had verteld dat ik hier naar toe ging, vertelden ze me dat ze nog nooit een toerist in hun hostel hadden gehad die zei dat ie daarheen ging…

De volgende dag merkte ik dat ik erg veel geluk had gehad met het weer de dag ervoor. Het was grauw, bewolkt en af en toe miezerde het. Omdat de combi van Expreso Cabildo pas om 7pm vertrok in plaats van de gebruikelijke 2.15pm, werd ik gedwongen om de hele dag in dit gehucht te blijven. Het uitzicht vanaf het aan de rand van het dorp gelegen Cerro del Amor was weinig indrukwekkend. Om 11pm nam ik de bus naar Buenos Aires (55 pesos per bus tegenover 14 pesos per trein!). Hier kwam ik rond 8am aan om vervolgens om 8.30am de bus te nemen naar Rosario.

Rosario

4 uur later kam ik aan op de Terminal de Omnibus van Rosario. Ik nam een stadsbus naar het lokale HI hostel vlakbij het centrum.

Rosario – de derde stad van Argentinië – is een weinig boeiende stad aan de bruine Río Paraná. Het geniet bekendheid als geboortestad van Che Guevara maar wie verwacht dat dit gegeven geëxploiteerd wordt in de vorm van een museum of zoiets dergelijks, komt bedrogen uit. Zijn geboortehuis (casa natal) wordt gebruikt door een verzekeringsbedrijf en de “muurschildering”, één blok verderop, stelt helemaal niets voor! Erg vreemd aangezien in Colombia en Venezuela bijvoorbeeld ieder huis waar Simon Bolívar ooit eens naar de wc is geweest, omgedoopt is tot een Casa de Cultura of een Casa de Bolívar…

Na twee overnachtingen nam ik weer een stadsbus terug naar de Terminal de Omnibus om een bus te nemen naar Córdoba.

Córdoba

Aangekomen in Córdoba nam ik intrek in Córdoba Backpackers, een HI hostel gelegen in het centrum van deze tweede stad van Argentinië. Net zoals Buenos Aires en Rosario is ook deze universiteitsstad “te” Europees en heeft het geen noemenswaardige attracties. Vlakbij daarentegen liggen de Sierras de Córdoba.

Na eerst een paar dagen opgeofferd te hebben aan matige/slechte films als El Descenso, Creep en Bajos Instinctos 2, vertrok ik met een Duits meisje naar Alta Gracia, een vrij groot plaatsje dat tegen de Sierras aanligt. Het herbergt een mooie Jezuïeten estancia en het huis waar Che Guevara enkele jeugdjaren heeft doorgebracht, thans ingericht als museum. Tegen de avond keerden we terug naar Córdoba.

Na een paar nachten uit te zijn gegaan, nam ik na het weekend de bus naar San Luis (7 uur).

San Luis en Sierra de las Quijadas

Ook San Luis heeft een HI hostel. Hier kwam ik na een taxirit vanaf de Terminal de Omnibus ‘s avonds aan om vervolgens een vrijwel leeg hostel aan te treffen. San Luis ligt 120km van de Sierra de las Quijadas, mijn reden om San Luis aan te doen. Net zoals bijvoorbeeld de Sierra de la Ventana is ook deze Sierra niet bijzonder populair bij buitenlandse toeristen.

Na één dag uitrusten, ben ik met twee porteños in hun auto naar de Sierra de las Quijadas gegaan. Daar ondernamen we de langste hike (4/5 uur) onder leiding van een gids. Deze Sierra heeft weg van een enorm groot voetbalarena met tribunes opgetrokken in rode stenen torens en een woestijnachtig veld met hier en daar vegetatie. Prachtig!!!

De volgende dag nam ik om 8.30pm een nachtbus naar Buenos Aires.

Buenos Aires II

Voor de derde keer in Buenos Aires ging ik naar een hostel vlakbij San Telmo (Tango Hostell Inn). Ik kon me er niet toe verzetten om nog uit te gaan. Het enige wat ik nog heb gedaan is slapen en het bezoeken van twee films: Hostel en El Plan Perfecto (Inside Man).

Dinsdag 11-04-2006 om 3.50pm nam ik mijn vliegtuig vana Aeroparque via Montevideo naar Madrid, Spanje.

20 March 2006
By on 15:28
21. Uruguay (23-02-2006 t/m 08-03-2006)

Chuí/Chuy

‘s Avonds laat kwam ik aan in Chuí, het Braziliaanse gedeelte van een grensplaatsje met Uruguay. Het Uruguayaanse gedeelte gedeelte heet Chuy en beide gedeeltes worden gescheiden door een avenida. De Braziliaanse zijde heet Avenida Uruguaí, het Uruguayaanse gedeelte Avenida Brasil.
Zoals het een grensplaatsje betaamt, staan beide zijdes vol met duty-free shops en casino’s.

Een paar kilometer vóórdat ik Chuí binnenreed, had ik mijn Braziliaanse exit-stempel al gekregen. Ik nam intrek in een hotel in Chuy, waardoor ik officieel in geen enkel land de nacht doorbracht. De volgende dag wisselde ik mijn reais in voor Uruguayaanse peso’s en nam ik de bus naar Punta del Diablo. Een paar kilometer buiten Chuy kreeg ik mijn Uruguayaanse entry-stempel.

Punta del Diablo

Hier werd ik vriendelijk onthaald door enkele locals uit Montevideo met wie ik naar het strand ben gegaan. Helaas was het bewolkt. Daarna zijn we naar het hostel gegaan waar nog enkele andere reizigers zaten.

Punta del Diablo (zie www.portaldeldiablo.com.uy) is een sfeervol, traditioneel vissersdorpje temidden van duinen met huisjes met rieten daken, stoffige straatjes en vissersboten op het strand. De omgeving deed me een beetje denken aan de Nederlandse kust. Jammergenoeg trekt dit soort plaatsjes altijd hippies aan.

De volgende dag nam ik vroeg in de middag foto’s om daarna terug te keren in het hostel waar ik een bekende tegenkwam. Er was namelijk een Italiaan gearriveerd, die we bijna een jaar geleden hadden ontmoet in Mérida, Mexico: het toppunt van een mundo pequeñisimo.

Omdat het de hele dag regende, begon ik aan een iets te lange busreis naar Punta del Este via Rocha en San Carlos.

Punta del Este

Punta del Este is een van de bekendste beach-resorts van Zuid-Amerika en met name erg populair bij Argentijnen, Brazilianen en natuurlijk Uruguayanen. Het commerciële centrum is gebouwd op het noorden van een schiereiland en het vasteland. Op het zuiden van het schierland staan dure vakantiewoningen. Hier is alles laagbouw om de vuurtoren zijn werk te kunnen laten doen. Dit meest zuidelijk punt van Uruguay scheidt de Río de la Plata van de Atlantische Oceaan. Aan de oostkant van het schiereiland aan de Río de la Plata ligt Playa Mansa, een lang strand met kalm water. Aan de westkant aan de Atlantisch Oceaan ligt Playa Brava, een strand geschikt voor surfers.

Toen ik ‘s avonds aankwam op de busterminal, liep ik naar het 1949 hostel. Hier betaal je 375 UYP of 15 USD per nacht. Met twee gasten uit Montevideo die ik in het hostel tegenkwam ben ik naar een bar gegaan om wat te drinken. De volgende dag heb ik overdag eigenlijk helemaal niets gedaan… Die dagen zitten er ook nog steeds tussen. ‘s Avonds ben ik met Amerikanen uitgegaan naar een club. Zondag heb ik rond het schiereiland gelopen wat op een gegeven moment zeer begon te doen aan mijn tere voetjes aangezien Havaiana’s (ik heb ze hoor, flipflops…) niet geschikt zijn voor urenlange trektochten. Die avond viel ik vroeg in slaap. Maandag arriveerde de Belg – nu met een Belgische vriend – die ik eerder in Blumenau en Florianópolis was tegengekomen. Na wat bijgepraat en doelloos door Punta Shopping Mall geslenterd te hebben, nam ik om 5pm de bus terug naar Rocha om op aanraden van de Belgen naar La Paloma te gaan.

La Paloma en La Pedrera

La Paloma is nog zo’n badplaats voor vakantievierende Uruguayanen, Argentijnen en Brazilianen. In tegenstelling tot Punta del Este ontsiert hier slechts één flat het plaatsje dat eigenlijk niet zo bijzonder is. De stranden zijn oké, maar de zonsondergang daarentegen kan schitterend zijn.

De dag na aankomst heb ik de bus genomen naar La Pedrera. Dit badplaatsje kan qua atmosfeer lang niet tippen aan Punta del Diablo, maar de kustlijn met ruwe rotsformaties is veel mooier.

Na een dag bijgekleurd te hebben op de stranden van La Paloma, nam ik na drie overnachtingen in Albergue La Paloma (gelegen in de bossen met mosquito’s en snurkende medemensen…) om 1pm de bus naar Montevideo.

Montevideo

Laat in de midaag kwam ik aan op de Tres Cruces de bus terminal van Montevideo. Omdat ik enorm slecht had geslapen in La Paloma, besloot ik uit te wijken naar een hotel in plaats van een hostel. De dag erop verkaste ik naar een hostel.

Montevideo is de hoofstad van Uruguay en verrweg de grootste stad van het land. Het centrum en Ciudad Vieja, ten oosten van het centrum, staan vol met oude gebouwen uit het begin van de 20ste eeuw. Plaza de Independencia vond ik een van de mooiste plaza’s tijdens mijn reis. Eén dag is eigenlijk genoeg om het allemaal te zien.

Zaterdags ben ik uit proberen te gaan met 2 Brazilianen, één Chileen en een Mexicaan, maar na een lange autorit naar een ver stadsdeel, kwamen we pas om 5am terecht in een bar in Ciudad Vieja. Omdat het vol zat met zatte en zwetende jongelui, ben ik snel vertrokken om mijn bedje op te zoeken.
Zondags ben ik met een Amerikaan naar het Estadio Centenario gegaan om een matige wedstrijd te zien tussen Miramar Misiones en het befaamde Peñarol (2-1). Dit is het stadion waar de eerste WK-finale werd gespeeld tussen Uruguay en Brazilië. Het biedt plaats aan 70.000 toeschouwers.

Na vier overnachtingen, nam ik ‘s middags de bus naar Colonia del Sacramento.

Colonia del Sacramento

Nadat ik intrek had genomen in het HI hostel aldaar kon ik ‘s avonds door het kleine, koloniale Barrio Historico rondstruinen en de zonsondergang zien. In het historisch centrum staan enkele huisjes van zowel Spaanse als Portugese architectuur. Cobblestone straatjes met een geul in het midden zijn aangelegd door de Portugezen. De Spanjaarden hoopten het water via beide straatzijdes af te voeren.

De volgende dag ben ik nog één keer door het centrum gelopen. ‘s Middags vertrok ik per bus naar Carmelo. Hier verbleef ik één nacht om de dag erop om 3.30pm een catamaran door de Río Paraná delta te nemen naar Tigre, een suburb van Buenos Aires.

25 February 2006
By on 21:55
20. Brasil II (06-02-2006 t/m 22-02-2006)

Foz do Iguaçu II

Na een erg trage grensovergang kwam ik eindelijk aan op de Terminal Urbana in Foz do Iguaçu. Hier nam ik een andere bus naar de rodoviária van waaruit lange-afstandsbussen vertrekken. Hier stuitte ik op een reisprobleem dat ik vrijwel alleen in Brazilië ben tegengekomen.

In zowat alle landen is het mogelijk op een busterminal te verschijnen en dan vertrekt er wel een bus naar jouw bestemming, zeg, binnen één uur. Deze flexibiliteit komt met name doordat er concurrerende busbedrijven op hetzelfde traject zijn. In Brazilië, echter, is er vaak maar één bedrijf voor één traject waardoor dit bedrijf een monopolie-positie heeft met als gevolg minder flexibele vertrektijden, hoge prijzen en een haast noodzakelijke reserveringsplicht (of je moet een kaartje van tevoren kopen).

Catarinense is zo’n bedrijf. Op het traject naar Curitiba, de hoofstad van de staat Paraná, heeft het alleen bussen ‘s morgens vroeg of ‘s avonds laat. Ik was nog op tijd om de bus van het middaguur te nemen, maar helaas zat deze al vol. De volgende serie bussen vertrok in de avond… Natuurlijk had ik een back-up plan gereed, dus ik kocht maar een kaartje voor 8.30pm.

Itaipu

Nadat ik mijn backpack en rugzak in een guarda volume had laten plaatsen, nam ik een bus naar mijn back-up plan: de Itaipu dam.

De Itaipu dam, gebouwd in de Rio Paraná op de grens van Paraguay en Brazilië, is de grootste hydro-electrische dam ter wereld (in de zin dat het de meeste electriciteit produceert). Volgens de website www.itaipu.gov.br produceert het 95% van de Paraguayaanse en 24% van de Braziliaanse electrische energie.

Het bouwwerk is gigantisch en wordt gerekend tot de 7 Moderne Wereldwonderen. Helaas was de dam niet volledig in werking toen ik het bezocht. Na de (gratis!) rondleiding van één uur, nam ik de bus terug naar Foz do Iguaçu om daar de tijd te doden op Internet tot mijn vertrek naar Curitiba.

Curitiba

‘s Morgens in alle vroegte arriveerde ik op de rodoferroviária (bus- én treinstation) van Curitiba. Ik nam mijn intrek in het per voet bereikbare Roma Hostel. De rest van de dag beperkte ik me tot het uploaden van foto’s en het updaten van mijn weblog. ‘s Avonds ging ik naar bioscoop om Vovó…Zona 2 (Big Momma’s House 2) te zien.

Curitiba is één van de modernste steden van Latijns-Amerika in de zin dat het er schoon is (het adverteert zichzelf als een ecologische stad) en dat de kwaliteit van het leven er hoog is.

De tweede dag begon ik de stad te verkennen. Het historisch centrum was niet bijzonder. De grote trekpleister moet een toeristische rit langs de vele parken zijn, maar dat heb ik niet gedaan. ‘s Middags pakte ik nog even O Segredo de Brokeback Mountain mee om daarna een treinkaartje te kopen voor de treinreis naar Morretes richting de kust van Paraná.

Serra Verde Express: van Curitiba naar Morretes

Om 8.15am vertrok de trein (zie serraverdeexpress.com.br) in de richting van Morretes. De treinreis voert over bruggetjes en door tunnels in een adembenemend landschap van bergen bedekt met het dichte Mata Atlântica (Atlantisch regenwoud). Drie uur later kwamen we aan in Morretes.

Morretes is een koloniaal plaatsje maar het viel helaas tegen. Na één overnachting nam ik 4 bussen naar Blumenau via Paranaguá, Guaratuba en Joinville.

Blumenau

Wann ich in die Rodoviarien angekommen war, war ich mit dem Beinenwagen nach das Hostel gegangen. Grün Garten ist ein großen HI Hostel aber es gab keine Leute, nür ein Belge!

Blumenau ist ein Stadte das von einem Deutschen Immigrant, Dr. Hermann Otto Blumenau, augerichtet würde im achtzehnhundertundfünfzig. In die Stadte sind immer noch Hausen von Deutschen Architektur zu finden: weißen Mauern mit holzen diagonalen und Dachen! Und – wie in Joinville – gibt es viele Leute mit blaue Augen und blonder Hare. Die meißten Turisten kommen hier in Oktber um das Oktoberfest mit zu machen. Diesem Fest ist der gröbte Strasseparade in Brasilien nach Karnaval.

In einem Tag bin ich durch das Zentrum hineingelaufen. Der folgenden Tag habe ich um 1pm einem Bus genommen nach Florianópolis.

Florianópolis en Ilha de Santa Catarina

Ilha de Santa Catarina is waarschijnlijk het meeste populaire vakantieoord in Brazilië voor Brazilianen, Argentijnen en Uruguayanen. Florianópolis – ook wel Floripa genoemd – is het hele eiland plus een stukje stad op het vasteland dat met twee bruggen aan het eiland verbonden is.

Het centrum op het eiland is mooi en schoon. Vanaf Morro da Cruz heb je een goed uitizcht op de stad. Op het eiland heb ik Praia Mole bezocht. Verder heb ik twee dagen overnacht in Barra de Lagoa, een plaatsje aan de oceaankant van het eiland.

Zondag ben ik eindelijk – met twee Amerikaansen, één Engelse en één Braziliaan – naar een Braziliaanse voetbalwedstrijd gegaan! Het betrof hier de derby voor de Campeonato Catarinense tussen Avaí FC en Figueirense. Beide ploegen komen uit Florianópolis. Alhoewel Avaí FC in de Série B speelt van de Campeonato Brasileiro en Figueirense in de Série A, kwam Avaí FC vrij eenvoudig op een 3-0 voorsprong, waarna het nog even spannend werd toen Figueirense vrij vlot achter elkaar tegen het einde twee goals maakte: einduitslag 3-2 in een vermakelijke wedstrijd.

Na één week Floripa, nam ik de bus naar Tubarão in de richting van Porto Alegre. Enkele jaren geleden probeerde ik via Internet een voetbalshirtje van de plaatselijke trots te kopen. Helaas was het nooit tot een deal gekomen… Toen ik er arriveerde en rondvroeg waar ik een shirtje kon kopen, werd mij meegedeeld dat de club niet meer bestaat. Jammer.
Ik moest een paar uur wachten voordat ik de bus kon nemen naar Porto Alegre.

Porto Alegre

Porto Alegre is de hoofstad van de staat Rio Grande do Sul. Deze staat, het Braziliaans gaucho gebied, is niet bepaald toeristisch. Hier heb ik door het centrum gebanjerd, ben ik naar een uitzichtspunt gegaan en heb ik het stadion van Grêmio bezocht. Na twee overnachtingen nam ik een bus naar Pelotas en van daar naar Chuí aan de grens met Uruguay.

7 February 2006
By on 13:35
19. Argentina I (03-02-2006 t/m 06-02-2006)

In Posadas, aan de andere kant van de brug, heb ik pesos uit een geldautomaat gehaald en de bus genomen naar Puerto Iguazu.

Puerto Iguazu

In Puerto Iguazu zat ik in erg slecht hostel alhoewel het wordt aangeraden door zowel Lonely Planet als Footprint: Correcaminos. Van de drie overnachtingen moest ik twee keer naar bed zonder te douchen en tanden te poetsen wegens water-problemen (terwijl er toch water vrij dicht in de buurt is). Verder is er in de dormitorios slechts één ventilator voor 4 stapelbedden, waar een a/c in deze hitte (35 tot 40 graden) wel aanwezig mag zijn. Daarnaast is er geen ontbijt inbegrepen in de 22 pesos, alhoewel ik daar misschien gewend aan ben geraakt in Brazilië. De computer met Internetverbinding is afkomstig uit eind jaren tachtig, waardoor een pagina openen 5 minuten in beslag neemt. Tenslotte lijken sommige leden van het personeel je met tegenzin en bovendien traag te helpen. M.a.w., ga daar dus nooit heen!

Na één dag uitrusten wegens het gehaast en vermoeiend reizen door Paraguay, vertrok ik zondag naar Parque Nacional Iguazu om de cataratas (watervallen) aan de Argentijnse zijde te bezichtigen. En wat iedereen zegt is waar: deze zijde is nog mooier en indrukwekkender dan de Braziliaanse zijde! Via de 3 trails, die een hele middag in beslag nemen, kun je alle watervallen van dichtbij zien. Als eerste had ik de grootste van alle watervallen, Garganta del Diablo, bezocht. Dit is een halve trechter waar de rivier zich met enorm veel lawaai naar beneden stort. De lager gelegen rivier is niet te zien, alleen een grote witte massa waar de watervallen samenkomen. Uit deze watermassa komen dampen naar boven, die al van verre te zien zijn. Daarna ging ik via het laaggelegen pad (Circuito Inferior) naar Isla San Martin, alwaar een duik in het water een welkome afwisseling is. Tenslotte zag ik op het hooggelegen pad (Circuito Superior) van heel dichtbij hoe het rustige rivierwater zich over het plateau een weg naar beneden vindt (met een versnelling van rond de 9.8 m/s per seconde).

Na de derde nacht nam ik ‘s morgens vroeg een bus terug naar Foz do Iguaçu in Brazilië.


By on 13:06
18. Paraguay (31-01-2006 t/m 03-02-2006)

Van Ciudad del Este naar Asunción

De grensovergang van Foz do Iguaçu in Brazilië naar Ciudad del Este in Paraguay over de Vriendschapsbrug was chaotisch, maar verliep zonder problemen.

Ciudad del Este staat bekend als een duty-free zone, waar Argentijnen en Brazilianen goedkoop electronische goederen kopen. Ik nam een stadsbus naar de busterminal van Ciudad del Este om een bus te nemen naar Asunción, de hoofstad van Paraguay.

Onderweg was vrij weinig te zien behalve uitgestrekte, groene landschappen met bruinrode aarde. Af en toe passeerden we kleine dorpjes waar mensen in de schaduw het verkeer aanschouwden. De bus (met a/c) stopte bijna iedere 15 minuten om mensen op te pikken of uit te laten stappen. Aangekomen in Asunción nam ik een stadsbus richting Plaza Uruguaya alwaar ik intrek nam in Hotel Miami.

Paraguay

Paraguay is waarschijnlijk het minst bezochte land van alle Zuid-Amerikaanse landen (behalve Suriname en de Guyanas). Het land heeft dan ook niet bijster veel te bieden vergeleken met de overige landen. Hostels zijn er niet te vinden.

Tussen 1864 en 1870 was bijna de gehele mannelijke bevolking omgekomen in de Triple Alliance War oorlog die El Supremo, een paranoïde president, was aangevangen tegen Argentinië, Brazilië en Uruguay. Groot-Brittannië had belang bij de uitslag van de oorlog, aangezien Paraguay als enige niet gelieerd was aan Groot-Brittannië. Sindsdien heeft Paraguay een bedenkelijke reputatie als land met corrupte regeringen en als toevluchtsoord voor buitenlandse (oorlogs)criminelen.

Paraguay is een land met twee officiële talen: Spaans en Guaraní. Deze laatste is een indianentaal die door bijna de gehele bevolking beheerst wordt. Er zijn nog vele indiaanse gemeenschappen in het land, met name in de Chaco, het gebied ten noorden van de hoofstad.

Asunción

Asunción is een slaperige hoofstad van 1.2 miljoen inwoners in een slaperig land. De mensen drinken koude kruidenthee in de schaduwen van gebouwen en onder de bomen in saaie parken tegen de verzengende hitte van 40 graden.

In mijn rondgang door de stad moest ik ieder half uur Pulp Naranja (zie www.pulp.com.py) kopen om mijn verlies aan zweet op te vangen. Na enkele uren door het weinig imposante centrum rondgebanjerd te hebben, nam ik een bus naar naar het nationale voetbalstadion genaamd Estadio Defensores del Chaco. Hier werd ik rondgeleid door de veldverzorger, een vriendelijke, oude man. Bijna alle Paraguayaanse voetbalteams komen uit de hoofstad en spelen dus regelmatig in dit stadion wat een capaciteit heeft van 40.000.

Na twee overnachtingen nam ik de bus naar Encarnación in het zuidwesten bij de Argentijnse grens.

Encarnación en Trinidad

‘s Avonds arriveerde ik in Encarnación. Hier nam ik een kamer in het vriendelijke Hotel Germano.

De volgende dag bezocht ik de ruïnes van Jezuieten-missies in Trinidad, een half uur buiten Encarnación. De Jezuieten hebben Paraguay gesticht. Plaatsnamen als Asunción, Concepción en Encarnación getuigen hiervan (plaatsnamen zoals Hohenau en Neu-Halbstadt zijn NIET door de Jezuieten verzonnen…). In hun missies, zichzelf voorzienende gemeenschappen opgetrokken in rode stenen, leerden ze het Guaraní, de taal van de lokale indiaanse bevolking. De ruïnes zijn interessant vanwege de historische achtergrond maar niet imposant.

Naar Posadas, Argentinië

Na het bezoek aan de ruïnes besloot ik Paraguay ‘s middags te verlaten en naar Posadas in Argentinië te gaan om van daaruit een bus te nemen naar Puerto Iguazu.

Paraguay was toeristisch gezien het minst interessante land tijdens mijn reis en verdrong daarmee El Salvador van de laatste plaats…

2 February 2006
By on 23:40
17. Brasil I (26-11-2005 t/m 31-01-2006)

Naar Manaus

Bij de Braziliaanse grensovergang kreeg ik, na o.m. het tonen van mijn gele vaccinatieboekje, een stempel en nam ik, verlost van mijn bolivares, een colectivo taxi naar Boa Vista, hoofdstad van de staat Roraima.

Bij aankomst in Boa Vista zaterdag rond het middaguur bleek er niet meteen een bus te vertrekken voor de 12 uur durende rit naar Manaus. Omdat ik moest wachten tot 7.30pm en niet genoeg reais op zak had om een kaartje te kopen, ging ik naar het centrum van Boa Vista om wat geld te pinnen. Dit was makkelijker gezegd dan gedaan. De alom aanwezige Banco do Brasil blijkt mijn kaarten namelijk niet te accepteren… Gelukkig wisten enkele mensen me er op te wijzen dat een juwelier in het centrum wel dollars kon wisselen tegen een schappelijk koersje. Dollars lichter en reais rijker, besloot ik wat rond de lopen door de straten van Boa Vista. Wegens de uitgestrekte ligging van de stad, de enorme brede straten, het snikhete uur van de dag en het feit dat er niets te zien was, was dit geen pretje. Ik nam de bus terug naar de rodoviária.

In het busstation kocht ik mijn kaartje en na enkele uren wachten kon ik de bus instappen. De reis over de snelweg door de Amazone verliep voorspoedig. Alleen bij het ochtendgloren kon ik, kijkend door het raam, iets van de jungle waarnemen.

Manaus

Bij het busstation van Manaus, namen ik, een reizende Duitse dokter die ik op het busstation in Boa Vista had ontmoet en 4 andere backpackers die met aan andere bus gearriveerd waren, de stadsbus naar het centrum.

Met de Duitser deelde ik een kamer in een hotel en nadat we ingecheckt hadden, begonnen we door de straten van Manaus te lopen. Het centrum van Manaus is vrij smerig en chaotisch. Wat verder weg van de rivier, staat een operagebouw wat dateert uit de periode dat de stad floreerde wegens de rubberboom en de daaruit resulterende rubberboom. Voor de rest stelt Manaus niet zoveel voor. Daarna bezochten we de haven om informatie in te winnen over boten naar Belém. De dag erop bleek er een te vertrekken, waarbij de keuze gemaakt kon worden tussen “hangmat eerste klasse” (190 reais = 74 euro) en “hangmat tweede klasse” (180 reais = 70 euro). Met deze informatie keerden we terug naar ons hotel en sliepen we wat. Toen ik wakker werd ging ik terug naar de haven om een kaartje Manaus-Belém “hangmat eerste klasse” te kopen. Later die dag namen we een stadsbus naar de enige echte shopping mall in het midden van de Amazone: Amazonas Shopping Centre! Hier aten we hamburguers en kocht ik een woordenboek Portugees-Engels en vice versa.

De volgende dag nam ik ‘s morgensvroeg afscheid van de Duitser, die een jungle-tour ging doen, en daarna kocht ik een fraaie hangmat voor 35 reais (= 14 euro). Na wat spullen ingeslagen te hebben (o.m. een grammatica-boekje in het Portugees), vertrok dan maandag om 4pm de Amazone-boot Rocha Neto met bestemming Santarém, halverwege Manaus en Belém…

De Amazone

De Rocha Neto is een typische, driedeks Amazone-boot. Het onderste dek ligt boven de motorruimte en biedt plaats aan “hangmat tweede klasse”. Het middelste dek (“hangmat eerste klasse”) was het drukst met ruimte voor pakweg 60-70 hangmatten en bovendien enkele dure slaapcabines. Op het bovendek was een barretje en stonden wat tafels en stoelen.

Behalve Brazilianen waren er nog 4 andere backpackers aan boord: één Welshman, met wie ik nog de stadsbus vanaf het busstation in Manaus naar het centrum had genomen, en drie Zweden. Logischerwijze ging ik met hun het meeste om. Naarmate mijn Portugees beter werd, kon ik een heel klein beetje converseren met de Brazilianen (het flauwe, niet door feiten gestaafde en dus provocerende “Holanda é melhor em futebol que Brasil” doet het altijd goed natuurlijk…). Verder was het luieren, lezen en praten in de hangmat en af en toe eten (3 keer per dag, in de prijs inbegrepen). Dat laatste probeerde ik na verloop van tijd te beperken aangezien ik binnen 10 minuten na iedere maaltijd de van lage kwaliteit zijnde sanitaire voorzieningen moest visiteren… De geelbruine rivier is breed genoeg om beide oevers te zien, maar van het regenwoud en haar bewoners zelf was weinig tot niets te zien. Slapen ging beter dan verwacht, al werd ik altijd wel een keer wakker midden in de nacht.

Na twee dagen varen kwamen we ‘s morgensvroeg aan in Santarém. Hier stapten we uit om rond te lopen, te eten en drinken te kopen. ‘s Avonds keerden we terug naar de boot die de volgende dag weer terug zou keren naar Manaus. Op de boot dronken we rum om daarna onze hangmatten op te zoeken.

De volgende dag verkasten we naar een andere, tweedekse boot en begonnen we voor de tweedaagse trip naar Belém. Er waren weer wat backpackers ingestapt: één Belg en vier Duitsers.

De reis was van hetzelfde laken een pak, alhoewel we naar het einde toe wat dichter op de oevers voeren, zodat we locals in hun houten boten konden zien. Na twee dagen doemde daar dan (eindelijk..) Belém op, hetgeen me deed denken aan het arriveren in Cartagena toen we vanuit Panamá naar Colombia voeren.

Belém

In Belém namen we een taxi naar het hostel (Hotel Fortaleza). De Welshman vertrok meteen naar Salvador per bus. Nadat we ons opgefrist hadden, liepen we naar de kade om eindelijk iets anders te eten dan kip of rundvlees met rijst, spaghetti of bonen. Daarna gingen we met alle reizigers uit in een tent ver buiten het centrum.

Omdat Belém, net als Manaus, niet bijzonder veel te bieden heeft, wilden ik en de Zweden een bus nemen naar São Luís. Echter, er vertrokken geen bussen meer en bovendien was deze rit van 12 uur veel te prijzig (100 reais = 39 euro). We besloten om een nachtje langer in Belém te blijven, São Luís te skippen en de volgende dag om 8am een bus te nemen naar Fortaleza.

Naar Fortaleza

Naast dat reizen per bus enorm duur is, zijn de wegen (in het noordoosten) bedroevend slecht. De zogenaamde snelweg zat vol kuilen en te hooi en te gras ontbraken er stukken asfalt. Bovendien is er in dit droge, vlakke en arme gebied niets te zien onderweg. De Zweden stapten na 24 uur uit in Sobral om naar Jericoacoara te gaan. Ikzelf bleef nog 6 uur in de bus zitten om tenslotte in Fortaleza te arriveren…

Fortaleza

Op het busstation in Fortaleza nam ik een stadsbus naar Praia de Iracema, een strand in de stad met ho(s)tels. In Pousada Atalaia was vrijwel niemand te bekennen… Na één overnachting verkaste ik naar Hotel Abril em Portugal om daar – veel goedkoper – een kamer te delen met een Israëlier die ik in de supermarkt was tegengekomen. Met hem heb ik mijn 5 dagen doorgebracht in Fortaleza, hetgeen inhield dat we vooral op het strand lagen van Praia do Futuro, een half uur buiten het centrum.

Het noordoosten van Brazilië kent een Nederlandse geschiedenis met pogingen van de Nederlanders om land van het Portugese empirium in te nemen. Wegens desinteresse werden deze pogingen uiteindelijk gestaakt. Toch bestaan er nog enkele bewijsstukken hiervan. Zo staat in Fortaleza een fort wat door de Nederlanders gebouwd is. De naam van dit fort, Fortaleza Nossa Senhora de Assunção, is de naamgever van de stad. Het fort en het weinig indrukwekkende centrum heb ik makkelijk op een ochtend kunnen bezoeken. Daarmee zijn dan ook de culturele trekpleisters van deze stad genoemd. Veel meer dan stranden en sex-toerisme heeft deze vijfde stad van Brazilië niet te bieden…

Omdat de bus naar Recife relatief te duur was, kocht ik maar een kaartje Salvador de Bahia. Hier kwam ik na een voorspoedige, maar lange rit van 23 uur aan.

Salvador de Bahia

Salvador de Bahia – Salvador in het kort – is de vierde stad van het land. Deze havenstad aan een prachtige baai is de meest Afrikaanse stad van Brazilië. De Portugezen haalden hun slaven uit westelijk Afrika (voornamelijk Angola) om ze vervolgens naar Salvador te brengen en hier te verhandelen.

Bij aankomst ‘s avonds op het busstation nam ik twee stadsbussen naar een hostel in de wijk Barra. Deze in zuidwesten gelegen wijk ligt aan de baai en herbergt enkele stadstranden geflankeerd door vuurtorens.

De volgende dag ging ik met de benenwagen naar het mooi gerenoveerde Centro Historico, hetgeen bestaat uit enkele praças (pleinen) omringd met igrejas (kerken). Pelourinho is de meest bekende praça met pastel-kleurige huisjes op een met cobblestones geplaveide helling. Geholpen door Afrobraziliaanse taferelen heeft het een heerlijke atmosfeer. De rest van de dag verbleef ik op Praia Porto do Barra, 50 meter van het hostel…

De dagen die volgden stonden ook in het teken van stranden. De stadsbus met als eindbestemming Praia do Flamengo begint bij het stadstrand Praia Porto do Barra en voert vervolgens langs prachtig gesitueerde stranden aan de Avenida Oceânica. Stadstranden met kalm water maken langzaam plaats voor oceaanstranden met sterke stromingen.

Na ruim een week Salvador nam ik de nachtbus naar Porto Seguro.

Porto Seguro, Arraial d’Ajuda en Trancoso

‘s Morgens vroeg arriveerde ik in Porto Seguro na een busreis van 12 uur. Ik nam een taxi naar een hostel, wat compleet leeg bleek te zijn! In Brazilië is een uitgebreid netwerk van hostels onder de noemer Hostelling International (HI). Er zijn er ongeveer 85 (waaronder die van Porto Seguro). De hostels zijn in het algemeen enorm groot met veel dormitorios en ontbijt is inbegrepen in de prijs. Waar in andere landen vooral buitenlanders in hostels zitten, zitten er met name veel Brazilianen in de HI hostels.

Men vertelde me dat de periode voor en tijdens Kerstmis de stilte is voor de toeristenstorm. Na één dag op het strand gehangen te hebben, vertrok ik de volgende dag naar Arraial d’Ajuda (via een ferry en een halfuur durende busrit). Het HI hostel hier had gelukkig wel enkele (buitenlandse) backpackers. In het begin ik ging vooral om met een zojuist in Brazilië gearriveerde Amerikaan. Wederom stonden de dagen vooral in het teken van zon en strand (Praia Mucugê en Praia Pitinga).

Arraial d’Ajuda is net als Porto Seguro een beach-resort, maar dan kleiner van omvang. Het is een relaxed plaatsje met enkele dichtbijgelegen stranden. Het is ook populair bij moderne hippies maar deze zijn makkelijk te vermijden.

Op zaterdag eerste kerstdag waren ik, de Amerikaan en een Fransman van plan om uit te gaan naar de beachclub Magnolia aan het eerste bovengenoemde strand. We besloten te gaan lopen omdat het niet al te ver was. Onderweg kregen we gezelschap van twee dronken Engelse meisjes. Het laatste stuk naar de beachclub was lange, stoffige weg zonder verlichting. Ik en de Amerikaan waren wat achter gebleven bij de drie anderen. De Amerikaan liep een paar meter achter mij. Plotseling werd de Amerikaan in het pikdonker vastgegrepen door één iemand en werd hem een mes tegen de keel gezet. Ikzelf werd door een ander in het Portugees gecommandeerd om me om te draaien. Ik schreeuwde naar de andere drie dat we bedreigd werden, maar om dubieuze redenen werd mijn poging om hun aandacht te trekken niet gehonoreerd. De Amerikaan, die uitmuntend Portugees spreekt, probeerde zijn belager te kalmeren en kwam er vrij snel achter dat het mes van plastic was! Hij greep het mes, brak het doormidden, wurgde zich los en riep tegen mij dat we weg moesten rennen. We renden tot de andere drie, nog steeds achtervolgd door de twee rovers. Dit alles gebeurde in het pikkedonker. Gelukkig kwam er een auto langs en we lieten de twee Engelsen instappen. De rovers bleven op afstand zodat ze niet gezien zouden worden. De auto reed snel weg en we waren weer alleen… De Fransman was al lang weggerend. Ik en de Amerikaan besloten bij elkaar te blijven. We hoorden de belagers weer naar ons roepen en we begonnen weer te rennen in het donker. Omdat ik door hun geroep hoorde dat die van het mes achterop liep, hield ik wat in om de ander een trap te geven. Vervolgens rende ik vooruit naar de Amerikaan en we bleven rennen tot de beachclub, die niet ver weg bleek te zijn. Vreemd genoeg waren de Fransman en de twee Engelse meisjes al de beachclub ingegaan! Ook nadat we een beetje bijgekomen waren en binnen waren, duurde het een tijdje voordat ze begonnen te informeren… Onze goede zin (met name die van de Amerikaan natuurlijk) was verdwenen en na een uur gingen we terug naar ons hostel. Met de taxi dit keer… Feliz Natal!

De volgende dagen stonden weer in het teken van zon en strand. Bovendien heb ik nog Trancoso bezocht, een plaatsje vlakbij Arraial d’Ajuda met enkele koloniale huisjes, hetgeen niet zo bijzonder was.

De 29ste nam ik een nachtbus naar Vitoria. Daar moest ik 4 uur wachten om een bus te nemen naar Rio de Janeiro, waar ik de 30ste rond 9pm aankwam.

Rio de Janeiro

In Rio de Janeiro logeerde ik ruim 2 weken bij een Carioca, André, die ik in Medellín (Colombia) heb leren kennen. Hij woont in de wijk Botafogo dat ingeklemd ligt tussen de twee trekpleisters Corcovado (met O Cristo Redentor) en Pão de Açúcar.

De dag van aankomst (vrijdag 30 December) gingen we uit in Lapa. Dit is een wijk die enkele jaren geleden nog een rosse buurt was, maar na enkele investeringen is uitgegroeid tot een belangrijk uitgaansgebied met veel samba-cafés. Alleen rondslenterende transsexuelen (!) getuigen nog van de oude atmosfeer. Hier zijn we een paar keer uitgegaan.

Op nieuwjaarsdag hield André een feestje in zijn winkel aan de belangrijkste straat in de wijk Copacabana. Tegen middernacht gingen we met z’n allen het strand op om daar het knallende vuurwerk te aanschouwen. Feliz ano novo!!!

De eerste week in Rio was het weer slecht, veel bewolking en af en toe regen. Dan is Rio ook maar een gewone, grote stad… Ik beperkte me tot het centrum en het op een heuvel gebouwde Santa Teresa, dat ik met de bondinho (oude tram) aandeed. Eén dag in en rond Leblon/Ipanema gaf een treurig beeld met verlate stranden en een in nevelen gehuld Christus beeld.

Zaterdag, een week na nieuwjaar, gingen we naar het concert van DJ Tiësto. Zijn set was helaas niet zo goed als die van Ferry Corsten in Bogotá: veel oude nummers. Bovendien zorgden de Brazilianen voor een vreemde sfeer door zonnebrillen te dragen (drugs?, mode?). Verder liepen de gasten die naar een sportschool gaan allemaal in ontbloot bovenlijf rond. En André was van zijn digitale camera beroofd…

Maar na regen komt zonneschijn, ook in Brazilië. Tijdens de tweede week kon ik eindelijk op de stranden van Leblon/Ipanema en Copacabana gaan liggen. Het strand van Copacabana is het bekendste strand ter wereld, maar ligt in een wijk met een bedenkelijke reputatie (“gevaarlijk”, veel prostitutie). Ipanema daarentegen is een dure, sjieke buurt. Copacabana heeft een mooier uitzicht (onder meer op Pão de Açúcar), terwijl op Ipanema Rios’s grootste favela Rocinha zichtbaar is. Op beide stranden is het Braziliaanse begrip Raimunda te zien. Dit is een Braziliaanse, feia de cara, boa de bunda. Een Amerikaan noemde het The Brazilian Surprise

In heel Rio is alles eenvoudig te bereiken met de metro en stadsbussen. Ik nam een bus naar de voet van de berg Corcovado. Van hieruit vertrekt een treintje naar de top van deze berg waar O Cristo Redentor de stad bewaakt. Hier heb je een adembenemend, panoramisch uitzicht over Rio!!! Maracanã, het centrum, Pão de Açúcar, Copacabana, Ipanema/Leblon,…

Pão de Açúcar is te bereiken door twee keer de kabelbaan te nemen (via Morro de Urca). Het uitzicht hier is beperkter (Copacabana, Botafogo, Corcovado, het centrum), maar meer gedetailleerd. Je kunt met name zien hoe prachtig Rio gelegen is tussen de vele, steile heuvels.

Uiteraard heb ik nog het voetbalstadion Maracanã bezocht. Helaas kon ik er geen wedstrijd bezoeken. Het immense stadion biedt nu plaats aan welgeteld 122.268 toeschouwers. In het verleden hebben er ooit eens 183.341 toeschouwers gezeten! Ook welgeteld.

Na afscheid genomen te hebben van André, verbleef ik nog een paar dagen in een hostel waarna ik de bus nam naar Angra dos Reis.

Costa Verde: Ilha Grande, Paraty en Maresias

De kust van Rio de Janeiro tot en met Santos (in de staat São Paulo) wordt de Costa Verde genoemd vanwege het Atlantisch regenwoud dat de heuvels en bergen bedekt. Vanuit Angra dos Reis vertrekken boten (schooners) en ferry’s naar Vila do Abraão op Ilha Grande, een eiland eveneens bedekt met Atlantisch regenwoud.

In Vila do Abraão was het een drukte van belang. Er waren met name Brazilianen die er vakantie vierden. Vanwege deze drukte was bijna alles volgeboekt en de pousadas die niet vol waren, waren te duur. Samen met een Australiër ben ik naar accomodatie gaan zoeken. Na anderhalf uur zoeken vonden we iets voor een schappelijke prijs.

Op het eiland is geen asfalt te bekennen en taxi’s bestaan er niet. Stranden rondom het eiland zijn alleen te bereiken per voet over paden door het regenwoud of per boot. De dag na aankomst besloten we een paar uur te lopen naar Praia Lopes Mendes. Onderweg konden we uitrusten op prachtige stranden in smalle baaitjes met turquoise water. Het eiland was, ondanks de drukte, paradijslijk! ‘s Avonds dronken we mixdrankjes in het centrum, waar een Deense band (!) de muziek verzorgde. Na twee overnachtingen werden we door reserveringen gedwongen het eiland te verlaten. We namen de boot terug naar Angra dos Reis en de bus naar Paraty.

Paraty is een beeldschoon koloniaal plaatsje aan het water met chaotische geplaveide straten en witte huisjes. Op de vrijdag dat ik aankwam, gingen we ‘s avonds wat drinken in het centrum. Daar bleek weer de Deense band acte de presence te geven. De dag erop ben ik naar Trindade geweest, een plaatsje met enkele mooie stranden. Verder hebben we een boottocht gemaakt door de baai waar Paraty aan ligt. Hier stopten we af en toe op eilandjes met verborgen strandjes om te zwemmen en te snorkelen. Na enkele dagen nam ik een bus naar São Sebastião om vervolgens een bus te nemen naar Maresias.

Maresias is een populaire badplaats voor Paulistanos, zoals Buzios dat is voor Cariocas. Er is een surfstrand dat ik niet erg bijzonder vond. Het nachtleven in het weekend schijnt geweldig te zijn met bekende buitelandse DJs, maar dat heb ik niet mee kunnen maken. Na twee overnachtingen nam ik de 4 uur durende bus naar São Paulo.

São Paulo

São Paulo is economisch gezien de belangrijkste stad van Brazilië en waarschijnlijk van heel Latijns-Amerika. Het is enorm groot (3 keer zo groot als Parijs volgens de Footprint) en heeft de grootste Japanse gemeenschap buiten Japan.

Toeristisch gezien heeft de stad niet veel meer te bieden dan wat je zou kunnen verwachten van een grote stad. Ik heb me beperkt tot een uitzicht vanaf Edificio Italia, het hoogste gebouw in São Paulo. Vrijdags zijn we uitgegaan naar een club in Vila Olimpia.

Na een paar dagen nam ik samen met 3 Ecuadorianen (weggelopen uit een stripverhaal) de 16 uur durende bus Foz do Iguaçu.

Foz do Iguaçu

Vlakbij Foz do Iguaçu zijn de grootste watervallen van Zuid-Amerika, op de grens van Brazilië en Argentinië om precies te zijn. Omdat we ‘s morgens aankwamen konden we ‘s middags de Braziliaanse zijde in Parque Nacional do Foz do Iguaçu bezoeken. Het waterschouwspel is erg indrukwekkend! Het water stort zich met veel lawaai over een breed plateau naar beneden.

Met in mijn achterhoofd dat de Argentijnse zijde nog indrukwekkender moest zijn, nam ik voor eventjes afscheid van Brazilië om Paraguay te betreden.

7 December 2005
By on 21:26
16. Venezuela (10-11-2005 t/m 26-11-2005)

Naar Maracaibo

Daar waar Colombia verlaten makkelijk is, is Venezuela binnengaan een verhaal apart. Bij het douane-kantoor kreeg ik mijn stempel. Helaas kreeg ik ook te horen dat het behalen van een visum in Riohacha helemaal niet noodzakelijk was. M.a.w., ik was voor niets teruggegaan van Puerto Bolívar naar Riohacha… Er werden inspecties verricht door militairen. De mannen in onze taxi moesten uitstappen en plaatsnemen in een klein kantoortje zonder ramen. Nadat mijn twee andere mannelijke mede-passagiers waren gefouilleerd werden zij verzocht het kantoortje te verlaten, zodat ik alleen met een militair overbleef. Ik moest vervolgens mijn broek laten zakken. Toen ik op het punt stond om deze weer aan te trekken, werd mij eveneens opgedragen om mijn onderbroek te laten zakken!!!

Toen deze heisa achter de rug was, konden we eindelijk vertrekken. Onderweg naar Maracaibo kwamen we nog 7 inspectiegroepen tegen, bestaande uit militairen of politie-agenten. Eén keer moest ik mijn backpack uitpakken. Af en toe hoefde ik alleen mijn rugzak te laten zien. Na een paar uur, kwamen we dan eindelijk aan in Maracaibo.

Maracaibo

Maracaibo is de tweede belangrijkste en tweede meest bevolkte stad van La República Bolivariana de Venezuela. Caracas is natuurlijk nummer één. De olievelden in en rond Lago de Maracaibo zorgen voor 70% van de totale Venezolaanse olieproductie. Maracaibo is daarom economisch gezien de eerste stad van Venezuela en overal word je erop attent gemaakt dat “somos la primera ciudad de Venezuela”.

In de stad zelf zijn weinig tot geen toeristen te bekennen wegens het gebrek aan toeristische attracties. Omdat ik in de schemerende avond arriveerde, begon ik de volgende dag de stad te verkennen. Het eerste wat me opviel in Venezuela is het feit dat er veel afgedankte Chevrolets rondrijden. Taxi’s, colectivo taxi’s (por puesto) maar ook veel particuliere auto’s zijn van deze Amerikaanse makelij. Ik nam een por puesto naar Parque La Marina. Daar staat een mirador, van waaruit een redelijk uitzicht is op de stad. Daarna nam ik twee keer een por puesto om uit te komen bij Conoce Tu Puente, een complex aan de voet van de brug over Lago de Maracaibo. Hier is een mirador met een mooi uitzicht op de brug (Puente Rafael Urdaneta om precies te zijn) en een minder fraai uitzicht op de stad. Tenslotte verkende ik het centrum wat enkele mooie plazas herbergt.

Na twee overnachtingen nam ik ‘s morgens vroeg de bus naar El Vigía, anderhalf uur per bus verwijderd van Mérida. Rijdend langs de oostkant van Lago de Maracaibo, staat het vlakke landschap vol met onbewaakte, willekeurig geplaatste ja-knikkers om aardolie naar boven te pompen.

Mérida

Mérida is een universiteitsstad gelegen in de Sierra Nevada de Mérida, het Andes-gedeelte van Venezuela. De hoogste berg van Venezuela, natuurlijk Pico Bolívar genaamd, ligt in deze Sierra en is 5.007 meter hoog. Mérida is de meest populaire bestemming in Venezuela en vele reizigers blijven hier een tijdje om Spaanse lessen te volgen of om activiteiten in de prachtige omgeving te ontplooien. Bovendien ligt hier de langste teleférico van de wereld met als eindbestemming de Pico Espejo op 4.765 meter hoogte.

Tot zover de algemene informatie. Ook al is Mérida erg toeristisch, goed georganiseerde hostels zoals in Colombia of in Centraal-Amerika vind je hier niet. Een hotel om te overnachten heet hier posada. De populaire posada (Posada Italia) waar ik resideerde, had een keuken (voor wat het waard is…), maar geen woonruimte met TV of zoiets. De twee dagen dat ik in Mérida was, waren de bergen gehuld in dikke nevels. Omdat mijn Spaans al excellent is, omdat de weersomstandigheden niet toelieten te gaan hiken in de bergen, omdat ik al wat geklommen heb in Colombia en omdat ik wel erg zin had om naar de stranden te gaan, verliet ik Mérida al snel. Als ik Mérida aan het begin van mijn trip geplaatst zou hebben, dan zou ik hier zeker langer zijn gebleven.

Naar Coro

Omdat ik geen zin had om te wachten op de nachtbus via Maracaibo naar Coro, een koloniaal plaatsje aan de kust, ongeveer halverwege Maracaibo en Caracas, dacht ik slim te zijn door zelf een route uit stippelen. Eerst nam ik om 3pm de bus naar Valera, een prachtige maar koude busrit over hoge passen in het Andes-gebergte. Bij aankomst in Valera werd mij verteld dat er geen bussen meer naar Barquisimeto vertrokken. Ik nam dus maar om 9pm een bus naar Valencia. Van hieruit vertrok dan om 5pm een bus naar Coro. Nadat ik onderweg op een andere bus naar Coro moest overstappen omdat ik de enige passagier was, kwam ik om 9am eindelijk aan in Coro. Ik was dus 18 uur onderweg en alleen maar omdat ik geen zin had om via Maracaibo de nachtbus te nemen, die ongeveer de helft van de tijd en geld in beslag zou hebben genomen!

Coro

Goed, Coro. Ik had goed geslapen in de bussen, dus ik hoefde niet bij te slapen in het hostel (El Gallo), wat ook echt een dormitorio heeft en dus de naam hostel verdient. Er waren enkele Duitse koppeltjes, een Brits stelletje en een Italiaanse solo-reiziger.

Terwijl ik door het piepkleine koloniale centrum (geplaveid met cobblestones) liep, zag ik dat het bij lange na niet kan concurreren met Colombiaanse koloniale dorpjes.

Omdat je 6 uur door de duinen in Parque Nacional Los Médanos de Coro moet lopen, om bij de zee uit te komen, vond ik het wel welletjes. Geadviseerd door twee samenreizende Duitse meisjes, nam ik de volgende dag de bus in de richting van Valencia met het plan om naar Chichiriviche te gaan. Echter, door aanhoudende regenbuien, werd mij de zin ontnomen om hier naar de Venezolaanse stranden te gaan en bleef ik in de bus zitten. Terug in Valencia nam ik een bus naar Maracay. Hier wilde ik een bus nemen naar Puerto Colombia, dat een prachtig wit strand moet herbergen. Ik wilde er namelijk op gokken dat het weer de volgende dag beter zou zijn. Maar toen de bus maar niet kwam opdagen besloot ik na een paar uur wachten een bus naar Caracas te nemen…

Caracas

De hoofdstad van Venezuela is met zijn bijna 4 miljoen inwoners de meest bevolkte stad van het land. Door mijn gesprekken met mede-reizigers die al eerder in Venezuela geweest waren, was ik tot de conclusie gekomen dat dit dé shithole aller Latijnsamerikaanse steden moest zijn. Kortom, over Caracas niets dan kwaad…

Nadat ik in het donker aan was gekomen in de Terminal de Pasajeros, nam ik een taxi naar “The Backpackers Hostel” van Caracas, genaamd Nuestro Hotel in de wijk Sabana Grande. Deze door het hostel zichzelf toegedichte bijnaam staat in grote rode letters op de witte muur van het hostel… Maar zoals reeds uit mijn naderende ironie opgemaakt kon worden, is dit de understatement van het jaar. Bij de ingang (met veel traliewerk) hangt dan de zogenaamde toeristen-informatie, trots gepresenteerd door een dodgy medewerker van het hotel. Deze info behelst niets anders dan een stadsplattegrond, een metro-map, enkele bustijden en een poster waarop Venezuela als vakantieland wordt verheerlijkt. Het begrip dormitorio, stapelbedden in een kamer, kennen ze hier niet. M.a.w., het is gewoon een hotel zonder gemeenschappelijke ruimtes, tenzij je de wandelgangen – waar je overigens veel kunt horen – daartoe beschouwt.

De volgende dag nam ik de metro naar het oude centrum van Caracas rond Plaza Bolívar. Hier staan enkele mooie gebouwen. Ik raakte in gesprek met een voormalige reisgids, maar door een tekort aan werk, verkocht ie nu CDs met toeristen-informatie. Hij liet me het Pantéon Nacional zien. De resten van Simón Bolívar liggen hier in een kist nadat ze naar Caracas over waren gebracht vanuit zijn sterfplaats, de villa La Quinta de San Pedro Alejandrino in Santa Marta, Colombia… Juist, daar was ik een week eerder geweest.

Interessanter nog was het gesprek over de verschillen tussen Colombia en Venezuela. Ik had hem namelijk verteld dat het voor mij moeilijk was om me aan te passen aan Venezuela nadat ik 4 maanden in het gespreid bedje dat Colombia heet was geweest. Ik vertelde hem van de slechte toeristische infrastructuur, het gedoe bij de grensovergang, het Venezolaans accent (het lijkt af en toe weleens alsof ze me niet willen verstaan als ik mijn standaardontbijt bestel, terwijl ze zelf de letter s weglaten…), etc. Uiteraard relativeerde ik alles door het slechte weer als verzachter van mijn kritiek te hanteren. Maar tot mijn verbazing bevestigde hij eigenlijk alles wat ik vermoedde! Hij kon zich maar al te goed voorstellen dat de gang van Colombia naar Venezuela traumático moet zijn geweest. Colombianen zijn andinos en andinos zijn vriendelijker, meer gedisciplineerd. Bovendien wist hij te melden dat Colombianen over het algemeen más educado zijn. Volgens hem zijn Colombianen harde werkers en hebben de Colombianen een mentaliteit om het toeristen naar de zin te maken, terwijl Venezolanen een militaire mentaliteit hebben (veel revoluties…). Misschien dat hij zijn eigen volk zat af te zeiken uit frustratie als zijnde ex-reisgids.

Nadat ik die avond naar een film was geweest (El Transportador 2), keerde ik terug in het hotel. Daar sprak ik een Engels stelletje en een Engels meisje aan. Ze waren net gearriveerd uit los Roques, een eilandengroep ten noorden van Caracas. Toen ik na het gesprek merkte dat ze op op een vierbeddenkamer zaten, suggereerde ik of ik het vierde bed kon gebruiken om zo de kosten voor mij te reduceren van 27.600 (= 11 euro) naar 13.000 bolivares (= 5.20 euro). Hierop reageerde het Engelse meisje dat ze niet graag met vreemdelingen op een kamer slaapt… Misschien typerend voor de houding van reizigers in dit land.

De volgende wilde ik naar de kabelbaan (teleférico) gaan. Op de vrij duidelijke vraag aan de medewerkers van het hotel wat de beste manier was om daar te komen, werd simpelweg het enige goede antwoord “taxi” gegeven… Als er iets te bezichtigen is in Caracas, zou dat de teleférico moeten zijn. Bovendien moet er een goedkopere manier zijn om daar te komen i.p.v. twee “dure” taxi-ritten (geschat op 8.000 bolivares [= 3.20 euro] in totaal). Het antwoord van het hotel negerend en een snelle blik op de stadsplattegrond (in de Footprint), deed mij vermoeden dat ik het beste naar metro-station Colegio de Ingenieros kon gaan, slechts twee haltes verwijderd van metro-station Sabana Grande. Hier aangekomen, vroeg ik wat rond en bleek er een bus, 10 meter verwijderd van het metro-station, te vertrekken voor het luttele bedrag van 600 bolivars (= 0.24 euro)! Ter informatie, een 10-ritten abonnement per metro kost 3.500 bolivars (= 1.40 euro). Bedankt voor de nutteloze informatie, Nuestro Hotel… De teleférico was een grote verrassing, moet ik zeggen! Het kaartje was vrij prijzig (30.000 bolivares = 12 euro), maar dan zit je ook een half uur in een kabine. De kabelbaan gaat over Parque Nacional de Avila, een groen bergrug die Caracas scheidt van de Caraïbische zee. Omdat het bewolkt was, was er op de absolute top niets te zien, maar onderweg had je een redelijk uitzicht op de stad. Bij heldere hemel is deze rit meer dan de moeite waard. ‘s Avonds ging ik maar weer eens naar de film (Entre Tiros y Besos).

De volgende dag was het zaterdag. Er was niet zoveel meer te zien voor mij in de stad en gezien mijn matige Venezolaanse ervaringen ging ik vrij wanhopig naar Centro Comercial Sambil om in een reisbureau te informeren naar vliegtickets Buenos Aires… Er was niemand in het reisbureau, behalve twee net gearriveerde Engelsen die naar Isla de Margarita wilden vliegen. Toen bleek dat er gelunchd werd door de mensen van het reisbureau, sprak ik met de Engelsen af om ‘s avonds uit te gaan in Caracas. Die avond ging ik met eentje (de ander was te moe) naar enkele barretjes in Centro Comercial San Ignacio. Het was de eerste (en naar later bleek enige) keer dat ik uitging in Venezuela.

Ik vond Caracas niet zo’n shithole als de meeste mensen denken. Het probleem is dat het enige “hostel” geen hostel is en dat het in een slechte buurt ligt. Maar verder heeft het een aardig centrum, de teleférico, stranden op enkele busuren afstand en een goed nachtleven.

Isla de Margarita

Na mijn derde film in Caracas (Plan de Vuelo), nam ik om 5pm de bus naar Puerto La Cruz om van daaruit om 1am een nachtboot te nemen naar Punta de Piedras op het ongerepte eiland Isla de Margarita. Daar nam ik een bus naar Porlamar, de grootste stad op het eiland. Een taxi later arriveerde ik om 8am kwam in het populaire low-budget hotel Tamaca in Porlamar.

Het weer was de vier dagen dat ik er zat geweldig. Er was veel zon, dus ik heb wat bij kunnen kleuren. Daar is dan ook alles mee gezegd… Het is temporada baja, dus het stikte er van de oudjes en in het hotel wemelde het ‘s avonds van de hoeren. Ik heb er maar twee stranden bezoch: Playa El Agua aan de noordkust en Playa Bella Vista aan de zuidkust en op loopafstand van het hotel. Er waren enkele backpackers, maar die hadden het na enkele dagen ook wel gezien.

Ik vetrok donderdagavond met de avondboot om 7pm terug naar Puerto La Cruz. Daar nam ik een colectivo taxi naar Ciudad Bolívar waar ik om 4.30am aankwam.

Ciudad Bolívar

Na een korte overnachting in een hamaca, begon ik de stad aan de Río Orinoco te verkennen. Tot mijn verbazing heeft deze stad een prachtig koloniaal centrum, veel mooier dan dat van bijvoorbeeld Coro, wat volgens de Lonely Planet een highlight moet voorstellen! De stad wordt echter geadverteerd als jumping-off point voor dure, korte trips per vliegtuig naar de hoogste watervallen ter wereld (Salto Angel). Ik was zo fed up met Venezuela dat ik besloten had om de watervallen en de Mount Roraima – een tafelberg – over te slaan en om zo snel mogelijk naar Manaus in Brazilië te gaan…

Naar Brazilië

Vanuit Ciudad Bolívar nam ik om 7.45pm een nachtbus naar Santa Elena de Uairén. Hier kwam ik 12 uur later aan. Vanuit dit plaatsje worden treks naar Mount Roraima ondernomen. Hier nam ik een taxi en een colectivo taxi naar de grens, waar het land verlaten eenvoudig was.

Over Venezuela

Ik denk dat Venezuela geen land is voor de solo-backpacker (met Mérida als uitzondering), aangezien er geen goede infrastructuur voor toeristen is zoals in Colombia. Als je met minimaal twee personen door Venezuela reist, kun je je er best vermaken. De meeste reizigers hier, stelletjes op korte vakanties, komen hier voor de natuur en landschappen (Salto Angel, Mount Roraima, Los Roques,…).

De mensen zijn in het algemeen minder vriendelijk dan Colombianen. Als ik iets probeer te vragen in mijn Spaans met mijn Antioquiaans accent en ze verstaan me niet, dan tonen ze niet veel respect voor mijn poging om hun taal te spreken. Maar er zijn ook uitzonderingen, zoals de mensen in de taxi op weg naar Maracaibo, de ex-reisgids en zo zullen er nog wel meer zijn. In Colombia zijn zelfs de taxichauffeurs geïnteresseerd in je en zetten ze je niet af, terwijl dat in Venezuela wel anders is.

Positieve uitzonderingen in Venezuela vond ik Caracas en Ciudad Bolívar (en natuurlijk Mérida, maar dat heeft een goede reputatie). Van de stranden op het vasteland heb ik helaas niets kunnen en willen zien vanwege het slechte weer. Misschien dat ik hier ooit terugkeer, maar dan voor een gewone, korte vakantie.

11 November 2005
By on 17:42
15. Colombia II (15-08-2005 t/m 10-11-2005)

Ipiales

Terug in Colombia bleef ik nog een nacht in het erg koude Ipiales. De dag erop bezocht ik de Sanctuario de Nuestra Señora de Las Lajas (een hele mond vol…). Dit is een gothische kerk, prachtig ingeklemd tussen twee bergruggen.

Dezelfde dag nog nam ik een bus terug naar Popayán via Pasto.

Popayán III

Voor de derde keer in Popayán, zocht ik weer contact met de locals. Verder kwam ik enkele bekenden tegen: een Japanner uit Ciudad de Panamá, die een week na ons een zeilboot had genomen naar Cartagena en een Nieuw-Zeelander die ik het laatst was tegengekomen in…Semuc Champey, Guatemala, en daarvoor in Mexico en Cuba! Het blijft een klein wereldje.

Na het weekend nam ik de nachtbus naar Bogotá.

Bogotá I

Santa Fé de Bogotá – of simpeler Bogotá – is een gigantische stad van 6.6 miljoen inwoners op een hoogte van 2.630 meter. Vanwege deze hoogte is het er vrij koud. Het weer verandert er van uur tot uur. Dan is er zon, dan is er regen, dan is er wind. Een ideale stad om een verkoudheid op te lopen. Vanwege het klimaat was mijn plan om tot en met het weekend te blijven om vervolgens richting Venezuela te gaan…

Bij aankomst bleek het hostel (zie www.platypusbogota.com), waar werkelijk iedere backpacker naartoe gaat, vol te zitten. Je moet enkele dagen van tevoren een bed reserveren om er terecht te kunnen. Omdat ik te horen kreeg dat ik er pas de volgende dag terecht kon, moest ik uitwijken naar een leeg hostel voor Israeliërs. Niet bepaald een leuke kennismaking met deze stad… Gelukkig kwam ik bij het rondlopen in de buurt van mijn hostel een Engels meisje tegen, met wie ik eerder was omgegaan in Popayán. De dag erop verkaste ik naar Platypus en begonnen ik en het Engels meisje het centrum te verkennen. Als antwoord op het efficiënte metrosysteem in Medellín, loopt dwars door Bogotá de zogenaamde TransMilenio, een bussysteem dat zijn eigen rijbanen heeft (zie www.transmilenio.gov.co). Niet zo snel en comfortabel als de metro, maar toch… Ons hostel was gelegen in La Candelaria, het fraaie koloniale centrum van Bogotá. Vlakbij heb ik het Goudmuseum (zie www.banrep.org/museo) bezocht, hetgeen wat tegenviel, aangezien ik er enthousiaste verhalen over had gehoord. Met het Engels meisje ben ik bovenop de berg Monserrate geweest, vanwaar we een prachtig, maar incompleet uitzicht hadden op de van het zuiden naar het noorden uitgestrekte stad (het residentiële noordelijke gedeelte was niet zichtbaar). Zaterdags ben ik naar Zipaquirá gegaan om daar de Catedral de Sal te bezichtigen (zie www.catedraldesal.gov.co). Dit is geen kathedraal van zout, zoals ik eerst dacht, maar een tot kathedraal gebombardeerde gigantische, uitgehouwen ruimte in een voormalige zoutmijn. Dezelfde avond gingen we met een groep reizigers uit naar een club, genaamd Cha Cha, gevestigd op de hoogste verdieping van het Hilton hotel. Het uitzicht was er geweldig en de muziek vooral electronisch.

Omdat ik doordeweeks moeite heb om in grote steden te verblijven, besloot ik naar Villa de Leyva, 4 uur buiten Bogotá, te gaan.

Villa de Leyva en Bogotá II

Na een TransMilenio bus naar het station Portal del Norte in Bogotá, vanwaar een bus vertrok naar Tunja, nam ik tenslotte een collectivo naar Villa de Leyva. Villa de Leyva is een kleine, maar prachtige koloniale stad met witte huizen en de verplichte cobblestones. Het herbergt wellicht het grootste Plaza Mayor in Centraal- en Zuid-Amerika.

Omdat ik laat in de middag aankwam, besloot ik om de volgende dag de omgeving te verkennen. Ik nam een collectivo richting Santa Sofía om me vervolgens af te laten zetten op een kruising, 1km van het Monasterio de Santo Ecce Homo. Dit klooster was redelijk mooi maar niet super. Vervolgens liep ik 6km terug in de richting van Villa de Leyva naar El Infiernito. Dit is een archaelogische site met een astronomisch laboratorium. Rond dit laboratorium staan beelden in de vorm van giant phalli (nette omschrijving van de Footprint). Dit alles diende vroeger als zonnekalender… Omdat ik geen zin meer had om te lopen, heb ik een lift genomen naar El Fósil, de volgende bestemming in de richting van Villa de Leyva. Dit schijnt een van de twee volledige skeletten te zijn van een Kronosaurus. De ander bevindt zich in Australië. Omdat ik aanneem dat weinig mensen weten wat een Kronosaurus is, heb ik een tekening toegevoegd aan mijn album met foto’s. Ik vond er eerlijk gezegd niet veel aan. In het museum moest ik als vertaler optreden voor een Amerikaan, die het museum bezocht samen met zijn Colombiaanse vriendin (beide van middelbare leeftijd). Hij sprak geen woord Spaans en zij nauwelijks Engels. Dit verklaarde waarom ze telefoongesprekken hadden van één uur om informatie van 5 minuten uit te wisselen… Bovendien moest ik de Amerikaan tot 3 keer toe corrigeren voor het feit dat hij dacht dat ik uit Denemarken kwam… Ze nodigden mij uit om met hun mee te gaan naar Ráquira, een klein plaatsje een half uur van Villa de Leyva. Dit plaatsje staat bekend om haar artesanías (hangmatten, prullaria, etc.). Het plaatsje is erg kleurrijk. Tenslotte keerden we terug naar Villa de Leyva om er wat te eten. Daarna namen we afscheid.

De volgende dag werd ik door een Amerikaanse schilderes van middelbare leeftijd, die ik de vorige dag in het hotel bij het onbijt had ontmoet, uitgenodigd om mee te gaan naar haar lap grond op een berg vlakbij Villa de Leyva om daar van het uitzicht op het plaatsje te genieten. Ze heeft er enkele paarden en werklieden waren bezig om er een stal te bouwen. Het uitzicht op Villa de Leyva en de prachtige opgeving was geweldig. Daarna nam ik de taxi terug naar het centrum om weer terug te gaan Bogotá voor het weekend. Hier ontmoette ik de Engelse weer en gingen we weer met een stel reizigers uit naar Cha Cha.

Manizales en Parque Nacional Los Nevados

Het weekend was weer voorbij en om de week door te komen ben ik met een Amerikaan naar Manizales gegaan. Manizales is de noordelijkste van de drie grote steden in de zogenaamde Zona Cafetera (de andere zijn Pereira en Armenia).

Vanuit Bogotá hadden we een bus laat in de middag genomen en rond 12 uurs ‘s nachts kwamen we aan in Manizales. Vanuit Manizales is het redelijk eenvoudig om Nevado del Ruiz, de hoogste vulkaan in Parque Nacional Los Nevados, te bezoeken. Omdat we bij aankomst in het hostel (zie www.mountainhousemanizales.com) te horen kregen dat er de volgende dag een groep van 3 mensen zou vertrekken naar Los Nevados, besloten we om met hun mee te gaan. Na drie uur geslapen te hebben, ging om 4am al de wekker…

Om 4am ontmoetten we de andere 3 Los Nevados gangers. Ik herkende twee van de drie van het hostel in Bogotá: een Australiër met wie ik een paar keer was uitgeweest en een een Deense. Verder was er nog een andere Nederlander. We namen de taxi naar een plek waarlangs de lechero (een melktruck) rijdt. Toen de lechero arriveerde, moesten we plaatsnemen achterin de lechero op melkbussen! Na anderhalf uur oncomfortabel rijden, kwamen we aan bij de ingang van Parque Nacional Los Nevados op een hoogte van 4.050 meter. Hier stapten we uit en regelden we een gids om aan de tocht naar de top te beginnen.

Het begin van de tocht was nog vrij makkelijk maar toen we in een woestijn-achtige omgeving terecht kwamen en uphill moesten hiken, haakten de Amerikaan en de Deense af vanwege hoogteziekte en vermoeidheid. Zij namen een lift in een passerende auto naar El Refugio (een houten gebouw op 4.800 meter). De gids, ik, de Australier en de andere Nederlander gingen te voet verder naar El Refugio. Toen we daar aankwamen, waren de Amerikaan, de Deense en de mensen die hun een lift aanboden, al begonnen aan de laatste 300 meter naar de top. De Nederlander, die hypothermia verschijnselen vertoonde, bleef achter in El Refugio. De gids, ik en de Australier begonnen aan onze laatste meters naar boven. Onderweg haalden we de Amerikaan en de Deense in en redelijk vermoeid bereikten we de top, alwaar we konden genieten van het indrukwekkende sneeuw- en woestijnlandschap. De top op 5.100 meter was voor mij een nieuw hoogterecord. De Deense redde het nog vrij makkelijk naar de Amerikaan bleef honderd meter onder de top steken. Na een half uur op de top te hebben gestaan, kwamen we hem tijdens de afdaling doodvermoeid tegen.

Op de weg terug besloot de Deense weer met de auto mee te gaan. De Nederlander die was achtergebleven kon weer lopen en met z’n vijven begonnen we aan de terugtocht, die normaal gesproken makkelijker moest zijn dan de heentocht… Ware het niet dat de gids ons een alternatieve route terug wilde laten zien. Een paar uur doolden we rond in het maanachtige landschap, totdat de gids niet meer precies wist waar we waren. Hij begon wat rond te kijken en na hem een half uur gevolgd te hebben, zagen we ergens in de verte de weg in de vallei waar we naartoe moesten. Probleem was echter dat we een steile helling moesten afdalen om daar te komen… Ook al had ik geen problemen met de hoogte op weg naar de top, op de weg terug had ik – met blijkbaar met terugwerkende kracht – een barstende koppijn gekregen. De anderen hadden ook koppijn en met tegenzin begonnen we aan de afdaling. Nadat we veel flora vertrapt hadden, kwamen we na een uur in de vallei aan. Hier volgden we de weg terug naar de ingang van het park en met de vriendelijke hulp van de lokale bevolking, keerden we rond 7pm terug in het hostel in Manizales. Hier bestelden we pizza’s en genoten we de volgende dag van een verdiende rustdag (kapper, Internet, nieuwe zwembroek,…).

Donderdag ging ik in mijn eentje naar Chinchiná. Chinchiná is de koffiestad bij uitstek van Colombia. Het ligt een half uur rijden per bus van Manizales. Op advies van de eigenaresse van het hostel ging ik langs bij een koffiefinca. De finca was gelegen boven op een heuvel, Colina del Sol, en nadat ik redelijk vermoeid de 250 meter hoge en steile heuvel had beklommen, werd ik vriendelijk onthaald door de eigenaar van de finca. Bovenop de heuvel heb je een prachtig uitzicht op uiteraard Chinchiná met haar koffiefabriek, en Manizales en Los Nevados in de verte. Verder zie je Palestina, een plaatsje op een bergrug, waar een nieuw vliegveld wordt gebouwd en Cenicafé, een onderzoekslaboratorium voor koffie, gelegen op een tegenoverliggende heuvel. Tenslotte zie je de weg door de Zona Cafetera die de grote steden met elkaar verbindt en natuurlijk de talloze koffievelden, verspreid over eindeloze groene heuvels. Waarschijnlijk is dit het meest ideale punt om alle facetten van de Zona Cafetera te zien.

De eigenaar van de finca begon me uit te leggen dat alleen de rode en gele koffiebessen worden geplukt. De slechte granen worden verwerkt tot koffie voor de Colombianen (de reden waarom de Colombiaanse koffie in Colombia zelf zo slecht smaakt) en de goede granen worden verwerkt tot koffie voor export naar het Westen. In Cenicafé wordt onder andere onderzoek gedaan naar het bestrijden van plagen (insecten en schimmels) met behulp van genetisch gemanipuleerde koffieplanten. Verder zijn zaken onderzocht als de optimale afstand tussen koffieplanten (!) om zo de productie te maximaliseren. Dit inderzoekscentrum wordt gefinancierd door de opbrengsten van de koffieverkoop. Interessante informatie die je misschien niet zo snel zou zoeken achter koffie.

Nadat we met enkele reizigers die donderdag waren uitgegaan in Manizales, nam ik vrijdag vroeg in de ochtend de bus terug naar Bogotá.

Bogotá III

In Bogotá ontmoette ik de Engelse en de Engelsman weer. Nadat ik met hun (en een groep Israeliërs die we weg zagen gaan zonder ons gedag te zeggen…) vrijdags was uitgegaan, keek ik toch het meest uit naar zaterdag. Zaterdag was er namelijk een concert van Moby in Autódromo de Tocancipá (zie www.autodromos-sa.com), een uur rijden ten noorden van Bogotá. Nadat ik die zaterdag een ticket had gekocht, vertrokken we vanuit Platypus met twee taxi’s naar de plek vanwaar bussen zouden vertrekken naar het evenement. Ik had uiteraard een VIP ticket van 91.000 pesos. De plek waar het concert was, schijnt de autoracebaan te zijn waar Juan Pablo Montoya zijn rondjes heeft gereden. Op de racetrack was een grote tent neergezet. Moby was de hoofdact, maar ik ben niet bepaald een fan van zijn muziek (teveel rock…). Gelukkig wist ik dat Ferry Corsten, een Nederlandse DJ, ook acte de presence zou geven. Nadat Moby zijn ding gedaan had, begon Ferry Corsten rond 3am zijn plaatjes te draaien tot 6am. Erg vette muziek en ik besefte dat ik deze muziek toch wel gemist heb de afgelopen 7 maanden, ook al ben ik reggaeton gaan waarderen…

De drie keer dat ik in Bogotá was, ben ik vaak naar Centro Comercials en films gegaan. Ik heb er 5 Centro Comercials gezien (Atlantis, Portal de la 80, Las Américas, Unicentro, Hacienda Santa Barbara) en de volgende 6 films: La Isla (The Island), Juego Macabro (Saw), Agua Turbia (Dark Water), Rosario Tijeras (een Colombiaanse film), Vera Drake en Ciudad del Pecado (Sin City). Zie de website www.cinecolombia.com.co voor films.

Zona Cafetera: Caldas, Risaralda en Quindío

Met een Zwitsers meisje ben ik na het weekend in Bogotá naar Pereira in de Zona Cafetera (ook wel Eje Cafetero genoemd) vertrokken. De hoofsteden van de drie departementen die de Zona Cafetera vormen, liggen op de route van Medellín naar Cali. Manizales (Caldas) is de meest noordelijke en Armenia (Quindío) de meest zuidelijke van deze steden. Pereira (Risaralda) ligt er tussen in en is de grootste, maar minst toeristische stad van de drie. Waar Manizales inmiddels beschikt over een hostel (Mountain House) en Armenia er eentje heeft in het nabijgelegen plaatsje Salento (Plantation House, waar we al eerder geweest waren), heeft Pereira er geen één.

Vlakbij Pereira ligt het weinig bezochte Parque Nacional Ucumarí. Nadat we één nacht in Pereira overnacht hadden, vertrokken we per chiva (openluchtbus) naar La Pastora, een houten hut in het park. Hier waren ongeveer 25 soldaten gestationeerd om de boel te bewaken i.v.m. guerilla-activiteiten in de regio. Verder was er een schoolklas van kinderen van 14 t/m 16 jaar. De soldaten bleken hier voor een periode van 5 maanden te zitten om daarna voor enkele weken terug naar huis te kunnen. Ze waren openlijk aan het flirten met de schoolmeisjes…
Omdat we geen tijd hadden om naar Laguna del Otún – de belangrijkste reden om dit park te bezoeken – te hiken (het Zwitsers meisje had een verjaardag van familie in Medellín en ik een afspraak in Pereira, beide op zaterdag), bleven we één nacht in La Pastora. Hier hebben we enkele watervallen bezocht. Waarschijnlijk is dit park alleen een bezoek waard wanneer je naar het meer gaat.

Terug in Pereira nam ik vrijdags afscheid van het Zwitsers meisjes om de dag erop Luisa te ontmoeten die ik een week eerder had ontmoet in Manizales. Met haar heb ik de drie steden in de Zona Cafetera aangedaan. In en rond Pereira was weinig te beleven. In de buurt van Armenia hebben we Parque Nacional del Café (zie www.parquenacionaldelcafe.com) bezocht. Ik zou het niet alleen bezocht hebben, want daarvoor was het niet interessant genoeg. Vervolgens gingen we terug naar Pereira en van daaruit naar Manizales. Hier hebben we o.a. een bezoekje gebracht aan Termales del Otoño (hotsprings, zie www.termaleselotono.com), het koffielaboratorium Cenicafé (zie www.cenicafe.org en www.cafedecolombia.com) en een familiefinca in Santágueda niet al te ver van Manizales. Na bijna 3 weken nam ik afscheid van haar om weer naar Medellín, mijn favoriete stad in Colombia, te gaan.

Medellín II en Santafé de Antioquia

In Colombia schieten hostels als paddestoelen uit de grond. Deze worden vrijwel allemaal gerund door buitenlanders en hebben veelal hetzelfde concept: stapelbedden (bunk beds), een keuken, TV in een relaxede woonruimte, Internet, laundry service, uitgebreide toeristen- en transportinformatie, visitekaartjes van andere hostels, drank in een koelkast,… Bij mijn tweede bezoek aan deze stad resideerde ik in een zojuist geopend hostel (zie www.blacksheepmedellin.com).

Allereerst heb ik twee dagen alleen doorgebracht in Santafé de Antioquia, een koloniaal plaatsje, een paar uur buiten Medellín. In het weekend ben ik met een Braziliaan en een Engelsman uitgegaan naar een wel erg vreemde theaterclub met een horror-achtige ambience (zie www.vinacure.com). Met een Engelsman, met wie ik veel ben omgegaan in Bogotá, ben ik naar Parque de las Aguas, een waterpark, geweest. Met hem heb ook de kabelbaan-uitbreiding van het metrosysteem (Metrocable) in Medellín “gedaan”. Vanaf de laatste halte (Santo Domingo) heb je een prachtig uitzicht op de stad. Met dezelfde Braziliaan en een Nederlandse heb ik Pueblito Paisa op Cerro Nutibara bezocht (inwoners van het departement Antioquia worden Paisas genoemd). Dit moet een miniatuur Antioquiaans plaatsje voorstellen, maar het stelde niet zoveel voor. Verder heb ik nog in het weekend een verjaardagsfeestje gevierd in een finca in Rionegro, een plaatsje in de bergen. Tenslotte heb ik met de Engelsman uit Bogotá, de Nederlandse en twee Israeliërs, El Peñol bezocht. Dit is een grote rots een paar uur buiten Medellín. In een spleet in de rots is een trap gebouwd zodat je naar boven kunt lopen. Bovenop de rots heb je werkelijk waar een prachtig panoramisch uitzicht op Embalse El Peñol! Dit is een soort van meer met eilandjes, schiereilandjes en inhammen: een sprookjeslandschap! Na Valle de Cocora is dit waarschijnlijk het mooiste wat ik in Colombia heb gezien. Doordeweeks hebben we met andere hostelbewoners enkele keren gevoetbald op een soort outdoor-zaalvoetbalveld in Envigado, een suburb van Medellín.

Bucaramanga en Girón

Om de saaie dagen in een grote stad te vermijden, nam ik maandag de bus naar Bucaramanga in het oosten van Colombia. Ik kwam in het donker aan zodat ik de volgende dag pas de stad kon verkennen. Bucaramanga is een vrij grote stad van bijna een half miljoen inwoners. Het is verre van toeristisch en ik begreep al vrij snel waarom… Bucaramanga wordt La Ciudad Bonita de Colombia genoemd, maar rondlopend door de stad kon ik deze bijnaam moeilijk plaatsen. De hoofdweg wordt gedomineerd door groen-gele bussen.

Na een eerste inspectie van Bucaramanga nam ik een stadsbus naar Girón, een koloniaal plaatsje vlakbij Bucaramanga. Het is een rustige suburbio met witte huizen en natuurlijk de verplichte cobblestones. Het is niet zo mooi als bijvoorbeeld Villa de Leyva of Santafé de Antioquia – koloniale plaatsjes van dezelfde omvang -, maar een verademing vergeleken met Bucaramanga. Hier bleef ik een paar uur voordat ik de bus terugnam naar Bucaramanga.

Terug in Bucaramanga bezocht ik de zogenaamde toeristische attracties. De stad telt vele, rommelige parken en La Casa de Bolivar kon als museum ook niet echt boeien, alhoewel het wel frappant was te vernemen dat de Guane indianen hun schedels misvormden om er mooier uit te zien…

De volgende dag vertrok ik, na een kort oponthoud (ik moest mijn paspoort laten zien op het DAS kantoor in Bucaramanga…), naar San Gil.

San Gil en Barichara

In het donker arriveerde ik in San Gil en nam een taxi naar een nieuw hostel (Macondo) in deze stad. In dit hostel ontbrak van alles, maar gelukkig waren er wel enkele reizigers. San Gil is de adventure capital van Colombia. Met de reizigers van het hostel zijn we de volgende dag gaan abseilen (reppeling). We daalden 80 meter af van een waterval zonder water. Goed om weer eens actief bezig te zijn geweest.

Hierna namen we de bus naar het nabijgelegen koloniale plaatsje Barichara. In plaats van cobblestones bestaan de straten hier uit grote, bruinstenen tegels. De huizen zijn wit met groen of blauw. Geholpen door de avondzon, vind ik dit misschien wel het mooiste koloniale plaatsje van Colombia…

Vrijdags keerde ik weer terug naar Medellín.

Medellín III

Terug in Medellín ben ik vrijdags uitgegaan (Guanbar). De dag erop stond het grote Halloween-feest op het programma. Met een grote groep reizigers dachten we naar een groot feest met electronische muziek te gaan, vlakbij het vliegveld in de richting van Rionegro. Omdat het feest tot 9am zou duren, verlieten we het hostel erg laat (1am). Na 45 minuten in een taxi, kwamen we aan bij een vrijwel lege tent… Gedesillusioneerd namen we de taxi terug om vervolgens te gaan slapen aangezien we toch nergens meer naar binnen konden.

Santa Marta II: Rodadero

Na het weekend nam ik de bus weer naar Manizales om vervolgens met Luisa naar Pereira te gaan. Van daaruit namen we zondag om 6am het vliegtuig (via Bogotá) naar Santa Marta. Hier verbleven we drie nachten in een hotel in het beach-resort Rodadero, ten zuiden van Santa Marta. De rest van de dag hebben we op Playa Rodadero doorgebracht. Maandag gingen we naar El Acuario en Playa Blanca. De volgende dag gingen we naar La Quinta de San Pedro Alejandrino, de villa waar Simon Bolívar is gestorven. Daarna gingen we naar Taganga, waar ik al eerder geweest was, om daar met de nalgitas op het strand te liggen. Woensdag namen we voor de tweede keer afscheid en nam ik de bus naar Riohacha in de richting van Venezuela.

Península La Guajira

Riohacha is de hoofstad van het departement La Guajira, wat in het uiterste noord-oosten van Colombia ligt. Het meest noordelijke punt van Zuid-Amerika ligt hier bovendien. Vanuit Riohacha nam ik een colectivo naar Uribia van waaruit ik eigenlijk naar Cabo de la Vela wilde vertrekken. Omdat hier alleen nog trucks naar Puerto Bolívar – niet al te ver van Cabo de la Vela – vertrokken, nam ik deze maar. De weg naar Puerto Bolívar is een rechte weg langs een spoorlijn, speciaal aangelegd om steenkolen te vervoeren van de mijn (El Cerrejón) naar de haven. Helaas zat deze weg vol kuilen en na enkele oncomfortabele uren kwam ik aan in Puerto Bolívar. Hier raakte ik in gesprek met een lokale onderwijzer. Toen ik hem op de hoogte had gebracht van mijn plannen om naar Venezuela te gaan, vertelde hij me dat ik waarschijnlijk een visum nodig had. Dit wetende, nam ik de volgende dag om 4am een truck terug naar Uribia. Onderweg kon ik gelukkig nog de mooie zonsopgang meemaken, datgene waar La Guajira bekend om staat… Helaas heb ik maar een piepklein gedeelte van dit schiereiland kunnen zien.

Terug in Riohacha ging ik naar het Venezolaanse consulaat alwaar ik vrij makkelijk een visum verkreeg voor 90 dagen. Na het strand van Riohacha bekeken te hebben, nam ik een colectivo taxi naar Maicao, vlakbij de Venezolaanse grens.

Naar Maracaibo, Venezuela

In Maicao nam ik een colectivo taxi naar Maracaibo in Venezuela. We moesten wachten totdat de taxi vol zat (5 personen). Natuurlijk moest een erg volupteuze vrouw zonodig naast mij zitten. Colombia verlaten ging gemakkelijk…

28 September 2005
By on 15:17